Als ik op zondagmorgen op mijn fiets stapte en langs het Kralingse Bos naar de Hoflaankerk reed, dan kwam ik altijd hele hordes hardlopers tegen op dat fietspad. Ik moet bekennen dat bij de zoveelste hardloper die in de weg liep mijn geduld op was. Maar van tijd tot tijd zag ik dan twee hardlopers samen, en dan verdween mijn ongeduld als sneeuw voor de zon. Dat waren hardlopers van Running Blind: een blinde of slechtziende die samen met een gids loopt, verbonden door een band, ‘tether’ genoemd. Er is een stichting die vrijwillige buddies koppelt met blinde of slechtziende mensen om te kunnen hardlopen. Het is indrukwekkend om te zien hoe afhankelijk een blinde vrouw of man is, en hoe dat samenspel is tussen gids en loper, hoe die band genoeg is om te vertrouwen waar de weg naartoe gaat. .

Petronella Moens

Er is een bijzondere reden om het over blindheid en over het lied 909 ‘Wat God doet dat is welgedaan’ te hebben. Het lied is door twéé blinde dichters aan ons overgeleverd. ´Wat God doet, dat is welgedaan´– de eerste regel al van dit lied spreekt van een vanzelfsprekend groot vertrouwen op God. Niet iedereen kan dit lied vanzelf meezingen. Niet iedereen kan dit grote vertrouwen vanzelf opbrengen.

Het lied is geschreven als een troostlied voor een zieke vriend. In 1674 of 1675 schreef dichter Samuel Rodigast deze tekst voor zijn ernstig zieke vriend Severus Gastorius. Met deze woorden wilde Rodigast hem geruststellen en troosten. Samuel Rodigast baseerde zich op Deuteronomium 32:4 ‘Hij is een rots, hij staat voor recht; alles wat hij doet is volmaakt.’ Gastorius genas. Hij schreef daarna zelf de melodie voor het lied. Johann Pachelbel heeft dit lied bewerkt tot een cantate, en daarna ook Johan Sebastiaan Bach.

Een lied om te troosten en gerust te stellen in moeilijke tijden. Een lied om je te verzekeren dat God er is, dat je op God kunt vertrouwen, wat er ook gebeurt. Dit lied is in het Nederlands vertaald door Petronella Moens, een blinde domineesdochter, opgegroeid in Aardenburg. Petronella Moens, Pietje voor haar naasten, werd geboren in 1762. Als vierjarige kreeg ze pokken en werd ze blind, of in elk geval zeer slechtziend, een veel voorkomende complicatie van pokken. In datzelfde jaar overleed haar moeder. In die tijd was er nog geen brailleschrift of aangepast onderwijs. Toch heeft zij op de een of andere manier leren lezen en schrijven. Zij schreef vele boeken en gedichten, ook speciaal voor kinderen, ze vertaalde, ze onderhield goede relaties met andere schrijvers en dichters uit haar tijd. Onder hen Aagje Deken en Betje Wolff en Willem Bilderdijk. Petronella Moens onderhield een vriendenboek. Zij vroeg familie en bevriende schrijvers om daarin iets te schrijven; haar ‘album amicorum’.

Honderdvijftig jaar is het kwijt geweest, maar nu is het een topstuk van de Koninklijke Bibliotheek, met al die persoonlijke opdrachten van bekende tijdgenoten. Toen zij zestig werd, besloot ze zelfstandig te gaan wonen in Utrecht, samen met haar secretaresse ‘joffer’ Antje Kamphuis. In 1843 overleed zij, na vele goede jaren in Utrecht. Petronella Moens had sterke overtuigingen. Zij schreef toen al expliciet dat slavernij en het christelijk geloof niet te combineren zijn. ‘Slavernij onteert de menschheid en is onder kinderen van denzelfden Hemelschen Vader onbestaanbaar.’ Dat schreef zij in 1837 in een kinderboek! Zij had een onwankelbaar geloof en vertrouwen op Gods wijsheid en God leiding in het mensenleven. Dat heeft ze beslist herkend in de tekst van Samuel Rodigast, die zij vertaalde in het Nederlands. Zo werd het een geliefd lied.

Jan Wit

Zo’n 150 jaar later werden de tekst van Rodigast en de vertaling van Moens opnieuw bewerkt. Dat gebeurde door de dichter-predikant Jan Wit. Die óók blind was – hij ‘had alleen nog een herinnering aan een zweem van licht’. Jan Wit heeft vele, vele teksten geschreven voor liederen voor het Liedboek voor de Kerken en psalmvertalingen. Misschien wel juist omdat hij blind was schreef hij veel over licht, over het licht dat God is, het licht dat ons bestemming is. Jan Wit groeide op in het blindeninstutuut Bartimeüs. Mét brailleschrift, maar langdurig zonder zijn ouders en ‘buiten de wereld’.

Ook zijn moeder overleed toen hij vijf was. Hij was erg intelligent en muzikaal, zijn leven ‘in de wereld’ begon met zijn theologiestudie in Utrecht, hij werd predikant voor de Waalse gemeente in Nijmegen.

Het is natuurlijk heel bijzonder, hoe Jan Wit als blinde dichter de tekst bewerkte van de blinde Petronella Moens. Uit respect voor haar werk heeft hij het eerste couplet letterlijk overgenomen. De andere vier coupletten heeft hij sterk veranderd naar de huidige 2 en 3. Vanwege het gedateerde taalgebruik herkenden mensen zich niet meer in haar tekst.

Het lied ‘Wat God doet, dat is welgedaan’ kan bij ons vele vragen en gedachten oproepen. Maar als we nu weten hoe deze twee blinde dichters deze tekst verwoord hebben, dan klinken hun ervaringen in de tekst mee. ‘k Zal aan zijn hand vertrouwend gaan/die hand geleid mij veilig.’ ’Al moet ik door de engten gaan – als God mij leidt, kan ik de tijd van duisternis verdragen: ik zal zijn licht zien dagen.’

Zienden weten niet hoe het is om te leven als slechtziende of blinde. Als we iemand ontmoeten die slechtziend of blind is, dan is duidelijk hoe beperkend dat is. Hoe afhankelijk iemand is van bepaalde hulp. Tegelijk zien wij aan Petronella Moens en Jan Wit hoe iemand die niet of slecht ziet een eigen persoonlijkheid heeft, met talenten en overtuigingen. Dit lied ‘Wat God doet dat is welgedaan’ confronteert ons met onze eigen kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het leven. Wij leven ons leven, zo goed als wij kunnen. Wij kunnen veel doen, wij mogen veel doen, en tegelijk is er oneindig veel dat wij niet weten en niet overzien. Wij weten en belijden dat God groter is dan ons hart, groter dan wat wij kunnen zien, meten en weten. Wij vertrouwen op God – en wij verliezen dat vertrouwen keer op keer. Wij lopen aan Gods hand – en we laten zelf weer los. Wij hebben een gids nodig die meer ziet dan wij, en die ons helpt om onze weg te vinden. Het lukt ons soms om daar op te vertrouwen, en soms ook helemaal niet. Wij zullen moeten vertrouwen op de hand die ons gidst. En daar zullen we ook in moeten oefenen. Veel oefenen, veel meters maken en alsmaar meer vertrouwen – dat is: bidden. Zó vertrouwd mag onze omgang met God worden.

ds. Ilse Hogeweg